raap

Daniel Raap en populair orangisme 1747-1754

De meest gehate Amsterdammer van de achttiende eeuw

‘Rumoer-baas! Atheist, Aarts-gauwdief, Pest der Steeden,

Afgryslyk Monster in ’t Oproerig Altijd Wel;

Al rot en stinkt uw Romp alhier, met smaat Betreden;

Perzoonen van uw Rang zyn Meesters in de HEL’[1]

 

Zo luidt een van de vele grafschriften die in een ‘bloemlezing’ van verzamelde lijk- en grafdichten gepubliceerd werd naar aanleiding van het overlijden op 10 januari 1754 van misschien wel de meest gehate Amsterdammer van zijn eeuw, de porseleinverkoper en ‘doelist’ Daniel Raap. De onversneden haat die uit ieder gedicht van dit pamflet spreekt – één uit een hele stortvloed van hatelijke pamfletten – lijkt zelfs voor de toch vaak niet malse toon in de pamflettencultuur van de Republiek uitzonderlijk en bleef daarom ook niet tot het papier beperkt. De avond voor de begrafenis werden enkele ruiten van Raaps huis ‘Altijd Wel’ op de Vijgendam ingegooid. Op de dag van de begrafenis zelf ontstond er oproer voor het huis en vernielde ‘het grauw’ de lijkbaar die voor het huis stond om de begrafenis te verhinderen. Uiteindelijk werd de kist met Raaps stoffelijk overschot om drie uur ‘s nachts onder gewapende escorte van de schutterij, haastig op een door een paard getrokken slee naar de Oude Kerk gebracht waar het opgebleven volk de kist alsnog met stenen bekogelde. In de kerk werd niemand toegelaten en de kist vlug in graf 45 naar beneden gelaten.[2]

Daniel Raap was een van de hoofdrolspelers geweest tijdens de woelige periode van orangistisch oproer en politieke strijd die Amsterdam van mei 1747 tot oktober 1748 in haar greep hield. Die begon met de ‘Oranjerevolutie’, de verheffing tot stadhouder van Willem IV onder dreiging van de Franse inval in de Republiek. De hierop volgende politieke strijd om de macht in de stad tussen het stadhouderlijk hof en de Amsterdamse regenten concentreerde zich vervolgens rond drie uitspattingen van orangistisch oproer of de dreiging daarvan. De eerste vond plaats op 9 november 1747 met een spontane bezetting van het stadhuis door het grauw dat op basis van een door Daniel Raap geschreven orangistisch pamflet – dat onder andere voor een erfelijk stadhouderschap pleitte – massaal naar de Dam was gekomen. Op 24 en 25 juni 1748 brak het zogenoemde pachtersoproer uit. Onder de leus ‘vivat oranje’ werden de huizen van ongeveer twintig belastingpachters geplunderd en vernield terwijl de schutterij weigerde op te treden. De laatste fase van de strijd werd gekenmerkt door de opkomst van de doelistenbeweging in augustus en september 1748. Deze burgerbeweging die gedeeltelijk door het stadhouderlijk hof werd aangestuurd eiste, onder dreiging van burgergeweld, politieke en economische hervormingen met als doel een wetsverzetting en meer invloed van de burgerij in het bestuur.[3]

Raap was de leider en woordvoerder van de ‘gematigde’ doelisten. In nauwe samenwerking met de Stadhouder en zijn hof probeerde hij met een gematigd eisenpakket aan de ene kant een orangistisch stadsbestuur aan de macht te brengen, en aan de andere kant de radicalere doelisten in toom te houden. Daarbij afficheerde Raap zich als de ‘opper-orangist’. Bij verjaardagen van de Oranjes of andere orangistische aanleidingen verlichtte hij altijd op spectaculaire wijze zijn huis aan de Vijgendam dat dan ook de bijnaam ‘het illuminatiehuis’ kreeg. Als hij voor overleg naar het Huis ten Bosch ging – in augustus 1748 vijf keer – dan ging dat met groot vertoon onder gejuich van het volk in een karos met vier paarden versierd met oranje vlaggen.[4] Raap stond aan de kant van de winnende partij want op 2 september kwam Willem IV naar Amsterdam en onthief de vier zittende burgemeesters – overigens niet van harte – uit hun functie. Van de overige doelen van de beweging werd echter niets bereikt omdat de stadhouder daar niets voor voelde. Bovendien waren de door hem benoemde nieuwe burgemeesters en vroedschapsleden afkomstig uit vrijwel dezelfde kliek van bestuursfamilies als de vertrekkende regenten. Vanwege deze povere resultaten kwamen Raap en andere gematigde doelisten nog tijdens het verblijf van de prins in Amsterdam onder vuur te liggen van radicalere burgers.[5] Na het vertrek van de stadhouder kwamen alle doelisten maar Raap in het bijzonder onder vuur te liggen van pamfletten uit anti-orangistische maar ook orangistische hoek. Zelfs buiten Amsterdam werd Raap negatief bejegend wat hem noodzaakte tot het schrijven van een 37 pagina’s tellende verdediging van zijn handelen in november 1748.[6]

Hoewel de teleurstelling bij veel orangisten over het mislukken van de doelistenbeweging en de haat van de Staatse partij richting een orangist als Raap een voor de hand liggende verklaring bieden voor de negatieve pamfletten over Raap, blijft het zeer grote aantal lasterlijke pamfletten en de uitermate virulent hatelijke inhoud van die pamfletten bij de begrafenis van Raap vijf jaar na de gebeurtenissen opvallend.[7] Als verklaring wordt in meerdere werken aangegeven dat de impopulariteit van de doelisten na 1748 mede werd veroorzaakt door het feit dat de meesten van hen aan aantrekkelijke baantjes werden geholpen door het stadhouderlijke hof en de nieuwe Amsterdamse magistraat.[8] Dit verklaart echter niet de onevenredig grote haat richting Raap die naar wordt aangenomen als een van de weinige doelisten juist geen baantje van het hof had aangenomen.[9] Dit onderzoek beoogt in eerste instantie om de – in modern jargon – ‘tsunamie van onderbuik gevoelens’ die in de pamfletten rond de begrafenis van Raap aan de oppervlakte kwamen van een betere en steekhoudende verklaring te voorzien. Dat gebeurt op basis van een integrale analyse van alle pamfletten die betrekking hebben op Raap, zijn handelen en de gebeurtenissen waarin hij betrokken was in de periode 1747-1754. De focus ligt daarbij op negatieve beeldvorming rond de persoon Daniel Raap die getoetst wordt aan de hand van de beschikbare objectieve informatie als een continu proces gedurende de gehele periode.[10] Dit onderzoek is dus tevens een studie naar een fenomeen dat in recente jaren van politieke polarisatie via moderne media tot het standaard repertoire is gaan horen: het ‘demoniseren’ van de politieke tegenstander.

Bij wijze van case studie zijn hier 25 pamfletten – uit een corpus van enkele honderden pamfletten die betrekking hebben op het onderwerp van dit onderzoek – uit de Knuttel-collectie geselecteerd voor de periode 1747-1754.[11] Ze worden geanalyseerd met betrekking tot de reeds beschikbare secondaire literatuur en contemporaine kronieken om te zien welke nieuwe vragen ze omtrent deze controversiële orangist oproepen. Omdat Daniel Raap zich echter ook op zo’n uitzonderlijke manier als orangist afficheerde, is dit onderzoek tevens een analyse van het populair orangisme tijdens deze roerige periode. In de literatuur over de Republiek wordt de populariteit van de Oranjes onder het gewone volk vaak als een voldongen feit en historisch axioma gepresenteerd.[12] Uit dit onderzoek zal mede moeten blijken in hoeverre deze vooronderstelling opgaat met betrekking tot de Amsterdamse orangistische oproeren in 1747-1748 en de nasleep daarvan, met de rol van Daniel Raap binnen deze gebeurtenissen als leidraad. De haat die het grauw ten toon spreidde bij de begrafenis van Raap, die tot het einde een fervent en opzichtig orangist bleef, in 1754, lijkt er op te wijzen dat eenduidige oorzaken als populariteit van de Oranjes als grondslag voor orangistisch oproer een te simpele voorstelling van zaken is.

 

Historiografie en theoretische benadering

 

Een blik op de verassend beperkte en grotendeels verouderde bestaande historische literatuur over de oproeren in Amsterdam in de jaren 1747-1748 en hun nasleep rechtvaardigt nieuw onderzoek. De gebeurtenissen worden uitvoerig beschreven in het twintigste deel van de Vaderlandse Historie en het vierde deel van Amsterdam in zijn Opkomst, Aanwas, geschiedenissen van Jan Wagenaar uit respectievelijk 1759 en 1767.[13] De beroemde stadshistoricus zat er echter te dicht bovenop om een historische analyse te kunnen geven en was bovendien zijdelings betrokken omdat zijn broer onderdeel van de groep gematigde doelisten rond Daniel Raap was. Niettemin vormen zijn werken een bruikbaar overzicht en doet hij als enige en laatste historicus een poging tot een karakterschets van Daniel Raap.[14] Daarnaast bestaat de wetenschappelijke literatuur over deze jaren van oproer in Amsterdam – an sich – uit drie artikelen en twee monografieën uit de eerste helft van de twintigste eeuw.[15] De drie artikelen van Krämer en de dissertatie van Voogd De Doelistenbeweging te Amsterdam in 1748, uit respectievelijk 1907 en 1914, hebben een voornamelijk een beschrijvend en dus weinig analyserend karakter.

De meest ‘recente’ monografie van Geyl Revolutiedagen te Amsterdam (Augustus-September 1748) uit 1936 heeft dat wel maar komt bij de moderne historicus enigszins teleologisch en anachronistisch over. Geyl schrijft de geschiedenis van een mislukte ‘democratische’ oranjerevolutie vanuit een context die te veel leunde op zijn eigen tijd, een democratisch Nederland onder een vorstin van het huis van oranje. Zijn werk lijkt wel de aanleiding voor de historiografische discussie die in recentere werken en artikelen de boventoon voert rond burgerbewegingen als de doelisten tijdens jaren van oproer 1747-1748 in de verschillende steden van de Republiek. Die discussie draait om de vraag of burgerbewegingen als de doelisten met hun politieke eisen en discours vooruit liepen op de latere ‘democratische’ patriotenbeweging of juist teruggrepen op een politiek repertoire uit de Gouden Eeuw en de Opstand.[16] Naar het laatste is recentelijk veel onderzoek gedaan en de consensus is tegenwoordig dat de burgerbewegingen van 1747-1748 vooral teruggrepen op de Gouden Eeuw en daarvoor.[17] Deze en andere meer recente artikelen rond de oproeren van 1747-1748 bieden context maar gaan niet specifiek over Amsterdam.[18]

De twee meest recente werken die dat wel doen zijn de monografie van A, Porta over de Amsterdamse regenten Joan en Gerrit Korver uit 1975 en het artikel van Maarten Hell ‘Revolte, rust en revolutie 1747-1795’ in het in 2005 verschenen Geschiedenis van Amsterdam. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813. Wat betreft de duiding van het pachtersoproer en de doelistenbeweging ligt het laatste hoofdstuk van Porta en het artikel van Hell verassend ver uit elkaar. Volgens Porta werden de doelisten waaronder Raap geheel aangestuurd door het stadhouderlijk hof en werd ook het pachtersoproer in de Hollandse steden voor het grootste gedeelte door de orangistische facties geregisseerd.[19] Volgens Hell was het pachtersoproer een spontane volksopstand die uit andere delen van de republiek was over komen waaien en waren de doelisten een meer autonome beweging waarvan zowel de gematigde als radicale vleugel in meer of mindere mate ‘in contact’ stond met het stadhouderlijk hof.[20] Deze discrepantie is dan ook een extra aanleiding om de jaren van oproer 1747-1748 in Amsterdam met de rol van Daniel Raap als schakel tussen het hof en het ‘orangistisch’ volk als leidraad opnieuw onder de loep te nemen.

Te meer omdat sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw vanuit een interdisciplinair – onder andere antropologisch en sociaaleconomisch – perspectief veel onderzoek is gedaan naar populair oproer in de vroegmoderne tijd. Belangrijke artikelen als ‘The moral economy of the English crowd in the eighteenth century’ van E. P. Thompson en ‘The rites of Violence: Religious Riot in sixteenth-century France’ van Natalie Zemon Davis dienen bijvoorbeeld als theoretische basis om respectievelijk het pachtersoproer en het repertoire van uiterlijke vertoon dat met orangistisch oproer gepaard ging in een nieuwe en betere context te plaatsen.[21] Het oproer van 1747-1748 greep zoals boven vermeld wat betreft de dynamiek en politiek discours voornamelijk terug op de Gouden Eeuw. Daarover is met betrekking tot crisisjaren 1618, 1650 en 1672 de afgelopen decennia zeer veel nieuw werk gepubliceerd die daarmee de gebeurtenissen van 1747-1748 in nieuw perspectief kunnen plaatsen. Omdat dit onderzoek zich voornamelijk op pamfletten richt, vormen twee zeer recente publicaties van Michel Reinders en Ingmar Vroomen uit 2010 en 2012 die specifiek de relatie tussen de pamfletcultuur, politiek discours en oproer in de Gouden Eeuw onderzoeken een belangrijke leidraad bij de benadering van het bronnenmateriaal.[22]

Pamfletten vormden de motor die de oproerige burgerbewegingen in gang zette en bepaalden voor een groot deel de dynamiek.[23] Vandaar dat de methode van dit onderzoek net als bij Reinders als chronologisch-gecontextualiseerd kan worden aangemerkt. De gebeurtenissen rond het oproer en Daniel Raap in de periode 1747- 1754 worden vanuit de pamfletten benaderd en dus niet andersom. [24] Het proefschrift De Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandsretoriek in Nederlandse pamfletten 1618-1672 van Vroomen waarin hij aan de hand van ‘vaderlandsretoriek’ het fenomeen ‘patriotisme’ als legitimerend, richting bepalend en initiërend fenomeen binnen opstanden en politieke actie in de Republiek analyseert, wordt hier doorgetrokken naar het duidelijk gelieerde maar verschillende fenomeen ‘orangisme’. Op welke manier werd orangistisch politiek discours door, voor en tegen iemand als Daniel Raap gebruikt?

 

Raadsels rond Raap 1747-1748

 

‘Gy Groote Vrygeest, die boosaardig van Natuur

Wel de eerste stooker waart van’t schandelijke oproer vuur

Die onbeschroomt uw wrok voor lang heb laaten blyken

Gy wist u fraay, in schyn, te ontrekken van het kwaad,

Dies zyt gy waardig, voor die schoone helden daad:

Dat Gy als eersteling moogt door ’t henn’pe Venster kijken’[25]

 

Hoewel lang niet zo virulent als het eerder geciteerde grafschrift uit 1754, mocht Daniel Raap van deze anonieme schrijver in oktober 1748 als eerste hangen – ‘door het henn’pe venster kijken’ –van alle vijftien leiders van het oproer. Een van de reden waarom Raap waarschijnlijk vlak na het oproer van alle doelisten al het meest gehaat werd, is ook in het gedichtje terug te vinden: Raap had fraai de schijn van zijn onschuld weten te wekken.[26] Het kwalificeren van iemand als schijnheilig en oneerlijk is natuurlijk standaard repertoire in een lastercampagne. Raap is in alle hier geselecteerde pamfletten gedurende de gehele periode een ‘snoode schelm’, ‘valse mislyder’ en ‘bedrieglyk booswicht’. Toch wijzen bepaalden opvallende zaken en tegenstrijdigheden in het verhaal rond Daniel Raap er op dat de door hem gecreëerde schijn wellicht ook gedeeltelijk het beeld van latere historici bepaald heeft.

Raaps entree voor het historisch voetlicht in november 1747 blijft om een aantal redenen een vreemd verhaal. Begin november had hij zijn rekest aan de Amsterdamse magistraat Vryje gedachten over het Rotterdammer request met vier eisen op pamflet uitgebracht.[27] Op 6 en 7 november werden overal in Amsterdam briefjes aangeplakt met Raaps naam erop met bijna exact dezelfde eisen, gevolgd door een oproep om op 9 november naar de Dam te komen demonstreren. Op 9 november zou dit leiden tot een kortstondig oproer waarbij het stadhuis onder de leus ‘vivat oranje’ door baldadige jongeren tijdelijk werd bezet.[28] De burgemeesters zagen Raap logischerwijs als aanstichter van de ongeregeldheden mede op basis van zijn eerder verschenen pamflet. Raap ontkende echter iets met de aanplakbiljetten en ongeregeldheden te maken te hebben gehad en zette dit breed uiteen in zijn ‘apologie’ van november 1748.[29] Wie wel de aanstichters van het oproer waren werd nooit opgehelderd.[30] Toch is het opvallend dat Raap pas in november in beeld komt toen hij plotseling bij de burgemeesters ontboden werd om zich te verantwoorden voor het oproer van november 1747. Zoals eerder vermeld koketteerde Raap vaak op opzichtige wijze met zijn liefde voor Oranje. Raap illumineerde bij de geringste orangistische aanleiding zijn huis aan de Vijgendam – goed zichtbaar vanaf het stadhuis – op opzichtige wijze. Waar was Raap en welke rol speelde hij tijdens de ‘oranje revolutie’ van begin mei 1747?

Waarschijnlijk werd het Raap te heet onder de voeten na zijn verhoor bij de burgermeesters want in december ging hij naar Zeeland en dook hij pas aan het begin van de doelistenbeweging op 9 augustus 1748 weer op. Ook in de door hem geschreven verdediging staat niks vermeld over de periode van december 1747 tot augustus 1748.[31] Hier is het wederom opvallend dat het meest gewelddadige gedeelte en kantelmoment van de twee jaren van oproer, de pachtersrellen van 24 tot 28 juni 1748, volledig aan ‘de eerste stooker van het schandelijke oproer vuur’ voorbij zijn gegaan. Te meer daar het corrupte pachtsysteem een belangrijk onderdeel was van de financiële machtsbasis van de regenten waar Raap tegen streed.[32] Ook weten we dat een eerlijker belastingsysteem voor het gewone volk – de aanleiding van de rellen indien men ze als spontaan en vanuit de dynamiek van een moral economy interpreteert – Raap nauw aan het hart ging.[33] In 1749 toen er een nieuw systeem ingevoerd diende te worden na de afschaffing van het pachtsysteem in 1748, schreef Raap een acht pagina’s tellend pamflet waarin hij op enigszins economische en filosofische gronden pleitte voor de afschaffing van belasting op basis consumptiemiddelen voor de armste bevolkingsgroepen.[34] Er is ook een indirecte aanwijzing dat Raap wellicht toch bij de pachtersrellen betrokken geweest zou zijn. Bij de terechtstelling van drie relschoppers op de Dam op 28 juni – overigens bij Raap voor de deur – schreeuwde vooral Matje van de Nieuwendijk die als eerste werd verhangen uit het Waaggebouw de menigte toe. Volgens de Joodse chroniqueur Braatbaard waren haar eerste woorden ‘wraak, wraak!’.[35] Deze versie is de geschiedenisboeken ingegaan. Volgens een andere chroniqueur die op de Dam aanwezig was, Jan de Boer, zou Matje echter ‘Raap, Raap!’ geschreeuwd hebben.[36]

 

1749-1754 meer vijanden

 

Na het vertrek van Willem IV uit Amsterdam op 15 september 1748 pieterde het vuur van het oproer en de Doelistenbeweging uit. Hoewel Geyl en De Voogd nog een hoofdstuk wijden aan de nasleep van de Doelistenbeweging tot 1750, houdt het verhaal in de meeste secundaire literatuur redelijk abrupt op.[37] Ook de selecties uit het werk van contemporaine chroniqueurs Bicker Raije en Braatbaard gaan na september 1748 weer verder met trivia aan geweld, ziekte en extreem weer. Daarna gaat wat betreft Raap en de doelistenbeweging nog een keer het spotlicht aan bij de gewelddadige begrafenis in januari 1654. Wat gebeurde er met Raap in de vijf tussenliggende jaren? Aan het eind van 1748 werd hij ongetwijfeld gehaat door de bestuurselite van de stad en de gelieerde staatse factie. Ook zal een groep teleurgestelde radicale burgers zich tegen hem gekeerd hebben maar van een naar anti-orangisme neigende volksmenigte zoals Geyl die suggereert lijkt Raap toch nog geen last te hebben gehad.[38] Een aantal zaken wijzen erop dat hij juist na 1748 extra vijanden begon te maken.

In een aantal pamfletten rond Raaps begrafenis wordt hem, weer wijzend op zijn oneerlijkheid, Myn Eed verweten.[39] In de tekst volgt dan altijd een verwijzing naar ‘lees: Wyn Eed’. In 1751 werd door de Staten van Holland een wet aangenomen die alle wijnverkopers verplichtte een eed af te leggen om niet te frauderen met hoeveelheden alcoholhoudende dranken voor de te heffen imposten. De meeste Amsterdamse wijnkopers en hun knechten weigerden om die eed op het stadhuis af te leggen.[40] Raap schreef waarschijnlijk in de lente van 1751 een pamflet dat voor de ‘wijn eed’ pleitte want in juni van dat jaar zag een hele stroom lasterlijke pamfletten over Raap het daglicht beginnend met het vijftien pagina’s tellende anonieme schimpdicht Daniel Raep’s Patriottische Bedrijven.[41] Veel van hierop volgende pamfletten werden namens wijnkopers en wijnkopersknechten uitgegeven en waren speciaal gericht tegen ‘inquisiteur Daniel Knolius, de dronken aap in de doeliaanse porceleynwinckel’.[42] Het pamflet van Raap is niet aanwezig in de collectie van Knuttel. Wellicht was het niet alleen een oproep voor het invoeren van een ‘wijn eed’ maar ook een pamflet tegen het gebruik van sterke drank in het algemeen. In het in de vorige paragraaf reeds aangehaalde pamflet van Raap over de afschaffing van belasting op consumptiemiddelen voor de allerarmsten uit 1749, fulmineerde hij al tegen het drinken van wijn als nodeloze verkwisting en aanleiding tot zondigen. Sterke drank kon wat Raap betreft niet zwaar genoeg belast kon worden.[43] Het mag duidelijk zijn dat een reeds controversieel persoon als Raap met dit soort meningen er bij de wijnkopers maar ook bij het gewone volk niet populairder op werd.

   In de pamflettenreeks van 1751 lijken de beschuldigingen inmiddels echter van een andere orde dan die van 1748. Raap is niet alleen meer een onruststoker en een valse schelm maar een ‘verrader’, die ‘zijn eed en pligt’ als burger verzaakt heeft in de jaren 1747-1748.[44] De beschuldigingen lijken heviger omdat Raap door zijn tegenstanders inmiddels van een nieuwe maar fundamentele zonde beschuldigd wordt: ‘Vervloekte Eygenbaat!’.[45] In 1750 was er in Holland een nieuw belastingstelsel ingevoerd. Het heffen van belasting op producten en diensten werd niet meer verpacht maar geïnd door collecteurs die door het stadhouderlijke hof aangesteld werden. Veel doelisten hadden via het hof als dank voor hun inspanningen in 1748 zo’n lucratief collecteurschap gekregen. Raaps zwager Johans Romans werd bijvoorbeeld hoofdcollecteur van de impost op het gemaal en Raaps vriend De Huyser werd collecteur voor de impost op vreemde bieren.[46] Het is opvallend dat juist Raap hierop aan gekeken werd. Hij was een van de weinige doelisten die geen lucratief baantje van het hof had gekregen. Er was een hardnekkig gerucht dat Raap groothavenmeester van de Maas was geworden, iets dat van overheidswege werd ontkent.[47] Over de beloning die Raap van het hof of de nieuw aangestelde Amsterdamse burgermeesters zou hebben gekregen, verhaalt eigenlijk alleen de Joodse chroniqueur Braatbaard. Die beloning zou namelijk ten nadeel zijn geweest van de Joodse gemeenschap in Amsterdam.

In de hatelijke testamenten die vlak voor Raaps dood verschenen staat vermeld dat Raaps vrouw de porseleinwinkel alleen kon erven op voorwaarde dat zij nooit aan Hoogduitse Joden en Jodinnen zou verkopen. Deze laatsten hadden ten tijde van de ‘Myn Eed (Wyn Eed)’ getracht de winkel te plunderen en Raap om het leven te brengen.[48] Braatbaard beschrijft dit oproer voor Raaps huis dat echter niet in 1751 maar in maart 1749 plaatshad. Via een plakkaat had het stadsbestuur verordend dat het venten langs deuren met porselein door Joodse marskramers verboden werd en dit kwam ten gunste van Raaps porseleinwinkel. De voornamelijk Joodse handelaren dachten dat Raap deze maatregel als beloning van de burgermeesters had gekregen.[49] Het lijkt er echter op dat dit een conflict was dat al voor 1748 speelde tussen Raap en Joodse porseleinventers.[50] Hoewel Braatbaard en de Joodse gemeenschap zeer oranje gezind waren net als Raap, noemt Braatbaard Raap in zijn kroniek al aan het begin van de doelistenbeweging – dus ruim voor het verschijnen van de eerste anti-doelistische pamfletten – consequent ‘booswicht Haman de Raap’.[51] Hoewel Raap wel financieel voordeel van deze maatregel gehad zal hebben is het zeer de vraag of dat voor Raap als enige gold gezien het feit dat dit soort maatregelen ook gunstig waren voor andere bij het gilde aangesloten porseleinwinkeliers. Bovendien werden regelmatig dezelfde maatregelen getroffen tegen Joodse handelaren in andere producten zoals de zilverhandelaren waar Braatbaard in zijn kroniek zelf over verhaalt.[52]

Hoewel de beschuldiging van eigenbaat in Raaps geval twijfelachtig lijkt, werd dat in de pamfletten bij zijn dood toch een terugkerend thema en gezongen in liedjes: ‘De baas van het rot der dolle muytelingen, die slechts Oranje, om eigen voordeel zingen’.[53] Als er zoals in dit liedje door orangisten in 1754 getwijfeld werd aan het orangisme van Raap – Oranjes voornaamste protagonist in Amsterdam in 1748 en tot zijn dood opzichtig orangist – wat zegt dat dan over het fenomeen populair orangisme? [54] In ieder geval dat het niet zo’n eenduidig ‘volksfenomeen’ was als vaak door historici is aangenomen en dat, zoals in dit geval met betrekking tot Raap, orangisme een instrument kon zijn binnen allerlei andere persoonlijke, politieke en sociale conflicten in deze periode.[55] Het is wat dit betreft ook opvallend dat de haat tegen Raap in de pamfletten rond zijn begrafenis opvallend weinig gepaard gaat met haat tegen Oranje.[56]

Wat wel duidelijk lijkt is dat de beschuldiging van geveinsd orangisme vanuit eigenbaat de haat richting Raap vanaf 1751 deed toenemen. Daaruit valt samen met het instrumentele karakter van het orangisme enigszins af te leiden dat in het discours rond crisissituaties, orangisme een gelijksoortige collectieve plicht om juist te handelen in het algemeen belang met zich mee bracht, net als bij ‘patriotisme’ zoals Vroonen dat aan de hand van vaderlands retoriek beschrijft in Taal van de Republiek.[57] Orangisme veinzen voor eigen gewin kwam neer op verraad – landverraad – een beschuldiging die na 1651 en bij de begrafenis van Raap herhaaldelijk werd geuit. Dan rijst de vraag of Daniel Raap eigenlijk nog wel vrienden had in Amsterdam na 1751? Zeker na de dood van Willem de IV in oktober van dat jaar moet de porseleinverkoper in zijn vaak oranje versierde en geïllumineerde huis op de Dam toch een soort ‘sitting duck’ zijn geweest? Ondanks herhaaldelijk oproepen die op het stadhuis geplakt werden om Raap in zijn eigen deurkozijn op te hangen, bleef hij naar verluid onverstoord ieder avond rustig zijn pijpje roken voor zijn huis.[58]

 

Daniel Raap, deist en belangeloos warhoofd

 

Raap kwam na zijn dood vanzelfsprekend in de hel terecht getuige de vele berichten die hij nog aan het Amsterdamse lezerspubliek verstuurde, bradend in het vuur van Lucifers onderaardse rijk.[59] Hoewel een religieus motief in de campagnes tegen Raap nooit de boventoon heeft gevoerd, was dat motief wel vanaf 1748 direct aanwezig. Niet voor niets liet deze ‘Atheist’, ‘Groote Vrijgeest’ en ‘Deurhoviaan’ in de verschillende testamenten zijn spinozistische literatuur na aan zijn oudste zoon Albertus met de opdracht die goed te bestuderen en een nieuwe kerkscheuring te veroorzaken.[60] Door verschillende historici, te beginnen met Wagenaar, wordt Raap als deist geïntroduceerd om vervolgens niet meer op zijn religieuze overtuiging of de rol daarvan op zijn handelen terug te komen.[61] Alleen Wagenaar wijdt hier iets verder over uit. Hij vermeldt dat Raap voor 1747 het gedachtegoed van Deurhoff probeerde te verspreiden en dat de tegenwerking die hij ondervond van het stadsbestuur in verband met een publicatie, zijn haat voor de zittende regenten had aangewakkerd.[62]

Hoewel er weinig over bekend is, zal Raap in gereformeerde kringen en bij de predikanten ook weinig populariteit – bij wie wel? – genoten hebben. Dat maakt zijn rol als voorman van de orangisten tijdens de doelistenbeweging ook weer opvallend. De band met de gereformeerde traditie en daarmee de orthodoxe predikanten was een vooraanstaand kenmerk van het orangisme in de achttiende eeuw.[63] Speelde religie een minder belangrijke rol bij het orangisme in 1747-1748? [64] Volgens Porta was Raap vermoedelijk lid van de Nederlandse vrijmetselarij die in deze periode nog verbonden was met de Engelse loge. In die hoedanigheid zou Raap zelfs, samen met twee andere vrijmetselaars, de orangistische schrijver Rousset de Missy en de secretaris van de prins Bentinck van Roon, een soort verlengstuk van de Engelse buitenlandse politiek geweest kunnen zijn.[65] De raadselachtigheid van Daniel Raap is in deze korte case studie eigenlijk alleen maar toegenomen.

De laatste twee monografieën over het oproer in Amsterdam in de jaren 1747-1748 van De Voogd en Geyl dateren van respectievelijk 1914 en 1936. De Voogd omschrijft Daniel Raap als ‘een karakteristiek vertegenwoordiger van wat men destijds het volk noemde’.[66] Geyl houdt het op ‘een belangelooze warhoofd’.[67] Het mag duidelijk zijn dat de persoon, doelist en orangist Daniel Raap nieuw onderzoek verdiend. De honderden pamfletten uit de periode 1747-1754 die betrekking hebben op Raap en de gebeurtenissen waar hij bij betrokken was, bieden een goed uitgangspunt om te zien in welke mate de oproeren van 1747-1748 het uiteindelijke monsterlijk beeld dat van deze porselein verkoper werd gecreëerd hebben veroorzaakt. Of speelden toch ook lokale en persoonlijke conflicten een rol bij de uiteindelijke massale demonisering van Raap? Een duidelijker beeld van het leven en de persoon Raap, zijn vele vijanden, in de juiste chronologische context, schijnt tegelijkertijd nieuw licht op het fenomeen populair orangisme in deze roerige periode. In welke mate waren de orangistische oproeren van 1747-1748 in Amsterdam spontaan? En hoe kon het dat een tegenstrijdige en controversiële figuur als Daniel Raap in Amsterdam de voornaamste orangistische leider werd?

Primaire bronnen

 

Pamfletten

 

1747

Daniel Raap, Vryje gedachten over het Rotterdammer request, over de ampten , officien en beneficien te verkopen, (Knuttel 17805).

 

 

1748

Op de hedendaagsche voorvallen wegens het afschaffen der pachterijen (Knuttel 17931).

 

Beknopte historie der beroertens te Amsterdam, wegens de afschaffing der imposten op de middelen van consumptie, voorgevallen [Knuttel 17915].

 

Relaas van de onlusten, voorgevallen in Amsterdam [Knuttel 17907].

 

Onpartydig historisch verhaal, van het tumult zo binnen als buiten Amsterdam [Knuttel 17914].

 

Daniel Raap, Aan alle welmeenende Nederlanderen, en beminnaars der Vryheid (Knuttel 17974).

 

Daniel Raap, Request aan de wel ed. groot agtb. heeren burgermeesteren en de vroedschappen der stad Amsteldamme (Knuttel 18979).

 

Daniel Raap e.a, Aen de heeren gecommitteerden uit de respective wyken der burgerye van Amsteldam, op den kloveniers Doele vergadert (Knuttel 18040).

 

Daniel Raap, Verdedigende aanmerkingen wegens het voorgevallene tot Amsterdam (..) door Daniel Raap (Knuttel 18067).

 

Loon na verdienst (Knuttel 18073)

 

Zinnebeeldige graf-schriften, op vyftien […] opper-baasen, der zogenaamde muitelingen, dat met […] augusty 1748. in de stads Cloveniers Doelen tot Amsterdam zyn begin heeft gehad (Knuttel 18074).

 

 

1749

Daniel Raap, Zedige overweging wegens de afgeschafte middelen der consumptie (Knuttel 18223).

 

Cornelis van Tongerloo, Klaar bewys dat de gemeene lieden, uit […] billykheid […] verpligt zyn. De lasten des vaderlands; te helpen draagen: strekkende […] ter wederlegging van […] Zedige overweeging wegens de afgeschafte middelen der consumptie door Daniel Raap (Knuttel 18224).

 

 

1751

Daniel Raep’s patriottische bedryven (Knuttel 18297).

 

Brief en Aanmerking, Op een zogeneamden Dortschen brief (Knuttel 18306).

 

Brief van Henricus Wachloo, gewezen collecteur van de boter aan zyn vriend Daniel Raap, verwaanden previlegie-zoeker (Knuttel 18307).

 

Antwoord van Daniel Raap […] op den brief van Henricus Wachloo […] dienende beiden tot een aanhangzel op de Patriottische bedryven van Raap (Knuttel 18308).

 

 

Men zal op aanstaande woensdag den 14 july 1751. en volgende daagen, ten voordeele van Lucifer en zyne concubuynen, (..) treurspel. Geinventeerd door Daniel Knollius, … Ontcierd zoor zugten en weenen, en na het zelven; De donken aap, in de Doeliaanse porselyn winkel. Klugtspel (knuttel 18314).

 

Op donderdag, den 13 augustus 1751 zal men … op de schouwburg vertoonen het veranderlyk geval of de onstantvastige wyn, baazen enz (Knuttel 18316).

 

Advertentie door de gezaamentlyke wyn-handelaars […] aan de heere inqvisiteurs, F. Vaster, D. Raap en haar illustri gezeltschaap […]. Voornaame stookebranden van allei onrust (Knuttel 18316a).

 

1754

  1. Word bekend gemaakt, dat op den 10den January 1754 binnen Amsteldam, de pestige ziel van … Daniel Raap, zyn stinkende … romp … heeft verlaaten (Knuttel 18421).

 

Anno 1754. Op Donderdag den 17den January, worden alle Doelisten ter hellevaart verzogt van Daniel Raap … (Knuttel 18422).

 

Copia testament |of uyterste wille van […] Daniel Raap (Knuttel 18425).

 

Nieuwejaars-lessen |van Daniel Raap. Aan zyn huisgezin (Knuttel 18430).

 

Enige lijk en graf-dichten op het afsterven van den here Daniel Raap tot zijn Uyteinde toe een gertouwe doelen stut (Knuttel 18436).

 

Aan alle welmeenende (Knuttel 18440).

 

Copy van twee brieven uyt de hel geschreeven door Daniel Raap (Knuttel 18449).

 

 

Boer, J. de, Chronologische Historie van de gebeurtenissen te Amsterdam 1748-1758 (manuscript KB).

 

 

 

 

Secundaire literatuur

 

Arnade, P., Beggars, iconoclasts and civic patriots. The political culture of the Dutch revolt (New York 2008).

 

Boone, M., en M. Prak, ‘Rulers, patricians and burghers: the Great and the Little traditions of urban revolt in the Low Countries’, in: Karel Davids and Jan Lucassen (eds), A miracle mirrored. The Dutch Republic in European perspective (Cambridge 1994) 99-134.
Bosman, M., De polsslag van de stad. De Amsterdamse stadskroniek van Jacob Bicker Raije 1732-1752 (Amsterdam 2009).

 

Davis, N.Z.,‘The rites of violence. Religious riot in sixteenth-century France’, Past & Present, Vol. 59 (1973) 51-91.

 

Dekker, R.M., ‘Oproeren in de provincie Holland, 1600-1750. Frequentie en karakter, relatie met de conjunctuur en repressie’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jaargang 9 (1977) 299-329.

 

Fuks L. (ed.), De Zeven Provinciën in beroering. Hoofdstukken uit de Jiddische kroniek over de jaren 1740-1752 van Abraham Chaim Braatbard, (Amsterdam 1960).

 

Geyl, P. Revolutiedagen te Amsterdam (Augustus-September 1748). Prins Willem IV en de Doelistenbeweging (‘s-Gravenhage 1936).

 

Gijselhart, J., De Amsterdamse doelisten en het democratisch process (ongepubliceerde masterscriptie Universiteit van Utrecht 2012).

 

Hell, M, ‘Revolte, rust en revolutie 1747-1795’, in Willem Frijhoff en Maarten Prak ed., Geschiedenis van Amsterdam. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813 (Amsterdam 2005) 309-376.

 

Israel, J.I., The Dutch Republic. It’s rise, greatness and fall 1477-1806 (Oxford 1995).

 

Japikse, N., ‘De aard der volksbewegingen van 1747 en 1748’ in: De Gids 74 (Amsterdam 1910) 315-331.

 

Jongsthe, Onrust aan het spaarne. Haarlem in de jaren 1747-1751 (Den Haag 1984).

 

The restauration of the orangist regime in 1747, jacob en mijnhard the dutch republic in the eighteenth century.

 

Krämer, F.J.L.,’ Bescheiden betreffende de Doelisten- beweging te Amsterdam in 1748′ in: BMHG 28 (Amsterdam 1907) 342-459.

 

Krämer, F.J.L.,’ Bijdrage tot de geschiedenis der omwenteling in 1747 en 1748 te Rotterdam en te Amsterdam’ in : BMHG 23 (Amsterdam 1902) 377-465.

 

Krämer, F.J.L.,’ De gebeurtenissen op den Amsterdamschen Doelen in 1748 verhaald door een Doelist’ , in: BMHG 26 (Amsterdam 1905) 1-113.

 

Porta, A., Joan en Gerrit Corver : de politieke macht van Amsterdam, 1702-1748 (Assen 1975)

 

Prak, M., ‘Burgers in beweging. Ideaal en werkelijkheid van de onlusten te Leiden in 1748’        in : BMHG 106 (Den Haag 1991) 365-393.

 

Reinders, M., Gedrukte chaos. Populisme en moord in het rampjaar 1672 (Amsterdam 2010).

 

Salomons, F. A., ‘De rol van de Amsterdamse burgerbeweging in de wetsverzetting van 1672’, BMGN, jaargang 106, afl. 2 (1991) 198-219
Stern, J., ‘The rhetoric of popular Orangism, 1650-72’, Historical Research, Vol. 77 (2004) 202-224.

 

Thompson, E.P., ‘The moral economy of the English crowd in the eighteenth century’, Past & Present, Vol. 50 (1971) 76-136.

 

Voogd, N.J.J. de, De Doelistenbeweging te Amsterdam in 1748 (Utrecht 1914).

Vroomen, I.H., Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandretoriek in Nederlandse

pamfletten, 1618-1672 (ongepubliceerde dissertatie Erasmus Universiteit Rotterdam

2012).

 

Wagenaar, J., Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tijden af, 1745-1751, deel XX (Amsterdam 1759).

 

Wagenaar, J., Amsterdam, In Zyne Opkomst, Aanwas, Geschiedenissen (..) en Regeeringe IV(Amsterdam 1767).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] Enige lijk en graf-dichten op het afsterven van den here Daniel Raap tot zijn Uyteinde toe een gertouwe doelen stut (Knuttel 18436) 17.

[2] N.J.J. de Voogd, De Doelistenbeweging te Amsterdam in 1748 (Utrecht 1914) 233-235.

[3] M. Hell, ‘Revolte, rust en revolutie 1747-1795’, in Willem Frijhoff en Maarten Prak ed., Geschiedenis van Amsterdam. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813 (Amsterdam 2005) 309-376, aldaar 326-335.

[4] A. Porta, Joan en Gerrit Corver : de politieke macht van Amsterdam, 1702-1748 (Assen 1975) 247; L. Fuks (ed.), De Zeven Provinciën in beroering. Hoofdstukken uit de Jiddische kroniek over de jaren 1740-1752 van Abraham Chaim Braatbard, (Amsterdam 1960) 73-75.

[5] Zie: Daniel Raap e.a, Aen de heeren gecommitteerden uit de respective wyken der burgerye van Amsteldam, op den kloveniers Doele vergadert (Knuttel 18040).

[6] Daniel Raap, Verdedigende aanmerkingen wegens het voorgevallene tot Amsterdam (..) door Daniel Raap (Knuttel 18067).

[7] Het betreft hier minimaal 50 verschillende pamfletten waarvan sommige verzamelingen zijn van tientallen liedjes en gedichten. Daarnaast verschenen er verschillende prenten over Raap in de hel. Bijzonder hatelijk was ook het feit dat de pamflettenstroom al bij het gerucht dat Raap op sterven lag – dus voor zijn daadwerkelijke overlijden – op gang kwam door middel van allerlei hatelijke testamenten.

[8] De Voogd, De Doelistenbeweging, 228-229; Hell, ‘Revolte’, 334; P. Geyl, Revolutiedagen te Amsterdam (Augustus-September 1748). Prins Willem IV en de Doelistenbeweging (‘s-Gravenhage 1936) 155-156.

[9] De Voogd, De Doelistenbeweging, 227; Hell, ‘Revolte’, 334; Geyl, Revolutiedagen, 156.

[10] Logischerwijs ligt historiografische focus altijd heel zwaar op de jaren 1747-1748. Daarna even kort op de begrafenis van Daniel Raap. De analyse van de hele periode 1747-1754 en wellicht de jaren voor deze periode met betrekking tot Daniel Raap zet beide kortstondige periodes in nieuw perspectief.

[11] De gehele Knuttel-collectie is online digitaal beschikbar op de site: The early modern pamphlets online, http://tempo.idcpublishers.info/search.php.

[12] In deze studie komt dat duidelijk naar voren in de werken van Geyl en De Voogd. Het orangisme wordt gekarakteriseerd als ‘volksbeweging’. Zie bijvoorbeeld Geyl, Revolutiedagen, 1; De Voogd, De Doelistenbeweging, 84-86.

[13] J. Wagenaar, Vaderlandsche Historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tijden af, 1745-1751, deel XX (Amsterdam 1759); J. Wagenaar, Amsterdam, In Zyne Opkomst, Aanwas, Geschiedenissen (..) en Regeeringe IV(Amsterdam 1767) 222-234.

 

 

[14] Wagenaar, Amsterdam In Zyne Opkomst IV, 222-224.

[15] P. Geyl, Revolutiedagen; F.J.L. Krämer,‘Bijdrage tot de geschiedenis der omwenteling in 1747 en 1748 te Rotterdam en te Amsterdam’ in : BMHG 23 (Amsterdam 1902) 377-465; Idem,’De gebeurtenissen op den Amsterdamschen Doelen in 1748 verhaald door een Doelist’, in: BMHG 26 (Amsterdam 1905) 1-113;Idem,‘Bescheiden betreffende de Doelisten-beweging te Amsterdam in 1748′ in: BMHG 28 (Amsterdam 1907) 342-459;De Voogd, De Doelistenbeweging. Daarnaast zijn er nog de vermakelijke contemporaine kronieken van Jacob Bicker Raije en Abraham Chaim Braatbaart: M. bosman, De polsslag van de stad. De Amsterdamse stadskroniek van Jacob Bicker Raije 1732-1752 (Amsterdam 2009); L. Fuks (ed.), De Zeven Provinciën in beroering. Hoofdstukken uit de Jiddische kroniek over de jaren 1740-1752 van Abraham Chaim Braatbard, (Amsterdam 1960). Er is nog een derde kroniek in manuscript vorm: Jan de Boer, Chronologische Historie van de gebeurtenissen te Amsterdam 1748-1758 (KB).

[16] Zie bijvoorbeeld: M.Prak,’Burgers in beweging. Ideaal en werkelijkheid van de onlusten te Leiden in 1748′,in : BMHG 106 (Den Haag 1991) 365-393; J. Gijselhart, De Amsterdamse doelisten en het democratisch proces (ongepubliceerde masterscriptie Universiteit van Utrecht 2012), 20-24; http://igitur-archive.library.uu.nl/student-theses/2012-0815-200544/UUindex.html, 22-02-2013.

[17] Zie bijvoorbeeld: P. Arnade, Beggars, iconoclasts and civic patriots. The political culture of the Dutch revolt (New York 2008) 261-303: I. H. Vroomen, Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandretoriek in Nederlandse pamfletten, 1618-1672 (ongepubliceerde dissertatie Erasmus Universiteit Rotterdam 2012) 252-255; R.M. Dekker, ‘Oproeren in de provincie Holland, 1600-1750. Frequentie en karakter, relatie met de conjunctuur en repressie’, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jaargang 9 (1977) 299-329; M. Boone en M. Prak, ‘Rulers, patricians and burghers: the Great and the Little traditions of urban revolt in the Low Countries’, in: Karel Davids and Jan Lucassen (eds), A miracle mirrored. The Dutch Republic in European perspective (Cambridge 1994) 99-134; J. Stern, ‘The rhetoric of popular Orangism, 1650-72’, Historical Research, Vol. 77 (2004) 202-224; F. Salomons,‘De rol van de Amsterdamse burgerbeweging in de wetsverzetting van 1672’, BMGN, jaargang 106, afl. 2 (1991) 198-219; A.H. Wertheim-Gijse Weenink, ‘Een kwarteeuw burgerverzet in de beide Nederlanden (1698-1719). Voorspel van de ‘democratische revoluties’, BMGN, jaargang 99, afl. 3 (1984) 408-434.

[18] Zie bijvoorbeeld: J.A.F. Jongsthe, Onrust aan het spaarne. Haarlem in de jaren 1747-1751 (Den Haag 1984).

[19] Porta, Joan en Gerrit Corver, 255, 257-260.

[20] Hell, ‘Revolte’, 329.

[21] E. P. Thompson, ‘The moral economy of the English crowd in the eighteenth century’, Past & Present, Vol. 50 (1971) 76-136; N.Z. Davis, ‘The rites of violence. Religious riot in sixteenth-century France’, Past & Present, Vol. 59 (1973) 51-91; G. Rudé, The crowd in history, 1730-1848 (New York etc. 1964). Het werk van Rudé wordt overigens door Porta gebruikt om aan te tonen hoe weinig spontaan de oproeren van 1747-1748 waren. Zie Porta, Joan en Gerrit Corver, 238-239.

[22] Reinders, M., Gedrukte chaos. Populisme en moord in het rampjaar 1672 (Amsterdam 2010); Vroonen, Taal van de Republiek.

[23] Reinders, Gedrukte chaos, 15-17.

[24] De case studie die zo volgt is niet perse chronologisch. Het betreft een keuze van perspectief d.w.z het effect van pamfletten op de gebeurtenissen bijvoorbeeld met betrekking tot de demonisering van Daniel Raap. Ook wordt er vanuit pamfletten teruggekeken naar de gebeurtenissen die ze beschrijven.

[25] Zinnebeeldige graf-schriften, op vyftien […] opper-baasen, der zogenaamde muitelingen, dat met […] augusty 1748. in de stads Cloveniers Doelen tot Amsterdam zyn begin heeft gehad (Knuttel 18074).

[26] Dit deed Raap ook letterlijk met het eerder genoemde pamflet Verdedigende aanmerkingen (Knuttel 18067).

[27] Daniel Raap, Vryje gedachten over het Rotterdammer request, over de ampten , officien en beneficien te verkopen, (Knuttel 17805): De vier eisen waren: erfelijk verklaring stadhouderschap, de opbrengsten van de posterijen zouden naar de stadhouder moeten ten bate van het algemeen belang, de vrije verkoop van ambten, door de schutterij zelf gekozen officieren.

[28] Hell, ‘Revolte’ 326-327.

[29] Raap, Verdedigende aanmerkingen (Knuttel 18067) 5-25.

[30] Jonathan I. Israel, The dutch republic. It’s rise, greatness and fall 1477-1806 (Oxford 1995) 1071. Hoewel het erg voor de hand ligt dat Raap bij dit oproer betrokken was trekt eigenlijk alleen Jonathan I. Israel deze conclusie.

[31] Raap, Verdedigende aanmerkingen (Knuttel 18067) Op pagina 26 eindigt zijn relaas over 1747 met de mededeling dat hij naar Zeeland vertrekt. De volgende alinea gaat verder met wat er op 9 augustus 1748 plaatsvond.

[32] Porta, Joan en Gerrit Corver, 253-255.

[33] Moral economy is een concept dat E.P Thompson lanceerde in zijn artikel ‘The moral economy of the English crowd in the eighteenth century’. Die veronderstelt dat er binnen een gemeenschap een soort traditioneel gegroeide, natuurlijke en culturele moraal bestaat met betrekking tot de eerlijkheid van voedselprijzen of belasting. Die moraal is initiërend en sturend met betrekking tot voedsel- of belastingrellen.

[34]Daniel Raap, Zedige overweging wegens de afgeschafte middelen der consumptie (Knuttel 18223)

[35] Fuks, De Zeven Provinciën, 59; Hell,‘Revolte’, 330.

[36] De Boer, Chronologische Historie, 96; Porta, Joan en Gerrit Corver, 257.

[37] Geyl, Revolutiedagen, 145-156, De Voogd, De Doelistenbeweging, 209-241.

[38] Geyl, Revolutiedagen, 145-148.

[39] Copia. Testament |of uyterste wille van […] Daniel Raap (Knuttel 18408); Copia. Testament |of uyterste wille van […] Daniel Raap. Nevens verhaal zyner hondsche begravenis (18426); Nieuwejaars-lessen |van Daniel Raap. Aan zyn huisgezin (Knuttel 18430).

 

[40] Wagenaar, Amsterdam in Zyne Opkomst IV, 151-154.

[41]Advertentie door de gezaamentlyke wyn-handelaars […] aan de heere inqvisiteurs, F. Vaster, D. Raap en haar illustri gezeltschaap […]. Voornaame stookebranden van allei onrust (Knuttel 18316a)

[42] Men zal op aanstaande woensdag den 14 july 1751. en volgende daagen, ten voordeele van Lucifer en zyne concubuynen, (..) treurspel. Geinventeerd door Daniel Knollius (Knuttel 18314).

[43] Raap, Zedige overwegingen (Knuttel 18223) 4.

[44]Brief en Aanmerking, Op een zogeneamden Dortschen brief (Knuttel 18306); Brief van Henricus Wachloo, gewezen collecteur van de boter aan zyn vriend Daniel Raap, verwaanden privilegie-zoeker (Knuttel 18307).

[45] Advertentie door de gezaamentlyke wyn-handelaars […] aan de heere inqvisiteurs, F. Vaster, D. Raap en haar illustri gezeltschaap […]. Voornaame stookebranden van allei onrust (Knuttel 18316a).

[46] De Voogd, De Doelistenbeweging, 226. Wie de collecteur voor de wijnen werd heb ik niet kunnen achterhalen maar dat is met het oog op de vijandigheid van de wijnkopers zeker van belang. Bovendien was tijdens het pachtersoproer van juni 1748 de grootste woede gericht tegen de wijnpachters. Dit houdt wellicht verband met elkaar.

[47] Ibidem, 227.

[48] Copia testament |of uyterste wille van […] Daniel Raap (Knuttel 18425).

[49] Fuks, De Zeven Provinciën, 120.

[50] Geyl, Revolutiedagen, 20.

[51] Ibidem, 70. Braatbaart doet dit vanaf 13 augustus 1747. Haman is de Jodenhater uit het Bijbelboek Esther maar ook de benaming van ‘de schurk’ in Poerim toneelstukken. De beschuldiging van de ‘slechte’ toneelspeler is ook een terugkerend element in pamfletten met betrekking tot Raaps orangisme dat alleen maar tot eigen voordeel zou dienen.

[52] Ibidem, 118-119.

[53] Enige lijk en graf-dichten (Knuttel 18436) 18.

[54] Het zijn natuurlijk voornamelijk orangisten die het vals gebruik van orangisme afkeuren.

[55] Geyl, Revolutiedagen, 1; De Voogd, De Doelistenbeweging, 84-86.

[56] Enige lijk en graf-dichten (Knuttel 18436).

[57] Vroonen, Taal van de Republiek, 16-20.

[58] De Voogd, De Doelistenbeweging, 232.

[59] Copy van twee brieven uyt de hel geschreeven door Daniel Raap (Knuttel 18449); Er verschenen ook verscheidene prenten van Raap in de hel met gedichten erbij.

[60] Copia testament |of uyterste wille van […] Daniel Raap (Knuttel 18425). ‘Deurhoviaan’ verwijst naar de deistische theoloog Willem Deurhof f(1650-1717) zie: Jonathan I. Israel, Radical enlightenment. Philosophy and the making of modernity (Oxford 2002) 307, 309, 324.

[61] Wagenaar, Amsterdam in Zyne Opkomst IV, 222; Israel, The Dutch Republic, 1071. Porta, Joan en Gerrit Corver, 247.

[62] Wagenaar, Amsterdam in Zyne Opkomst IV, 222.

[63] Vroonen, Taal van de Republiek, 21-22.

[64] Geyl, Revolutiedagen, 15. Geyl vermeldt hier wel het veel voorkomde geweld tegen katholieken en de plunderingen van katholieke huizen die zich op aanzienlijke schaal zouden hebben voorgedaan in 1747.

[65] Porta, Joan en Gerrit Corver, 209.

[66] De Voogd, De Doelistenbeweging, 85.

[67] Geyl, Revolutiedagen, 156.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *